Categorieën
Je bent natuurlijk ook

Over onderkantjes en andere dekmantels

De ochtend na de spoedkeizersnede.

Ik lig nog stijf van de spanning en adrenaline in mijn bed aan de morfine en een katheter. Ik lig in een kamer met 3 lege bedden tegenover me.

Ik voel me echt klote.

Gisteren werd de reguliere controle afspraak – pats boem – een spoedkeizersnede.

Maar goed,  ik lag daar nog in de kleding van mijn zus die wat mee had gegrist uit haar kledingkast. Een te klein T-shirt wat niet lekker zat. Ondergoed hoefde ik niet aan want ik droeg een mooie slip van het ziekenhuis.

Mijn mascara in mijn ooghoeken. Haren ongekamd en door elkaar.

Ongewassen en zweterig naar mijn gevoel.

In de nacht werd ik nog rauw wakker gemaakt of ik even wilde kolven. Geen idee hoe ik het voor elkaar heb gekregen maar er kwam melk uit. Naar mijn gevoel was dat ook het enige wat ik kon doen: mijn kind voeden.

De verpleegkundige kwam na het ontbijt binnen met de mededeling dat ze me wilde wassen.

Dat wilde ik maar al te graag.

Eerst wilde ik het zelf doen maar dat ging niet, Ik kon amper mijn arm optillen, laat staan wassen. Overal trilde ik.

Na wat gewas aan kop en voorpoten, ging ze naar “mijn onderkantje”.

Daar lag ik dan. Ze vroeg of ze mijn onderkantje mocht wassen.

Zelfs in mijn toestand kon ik nog de Latijnse naam van dat onderdeel zeggen. Ik moest zo lachen intern. Sindsdien maken mijn moeder en ik regelmatig grapjes over ons onderkantje.

Lieve collega, je mag het gewoon bij de naam noemen hoor.

Het valt me op dat we soms iets toch moeilijk vinden. Toch een bepaalde schroom voelen om belangrijke zaken bespreekbaar te maken.

Waarom is het zo moeilijk om gewoon poep, plas, seks, penis en vagina te zeggen?

Waarom praten we verdriet liever goed met zalvende woorden, een glaasje water en wat getik op de computer?

Waarom gooien we liever een pilletje er in om onze stemming stabiel te houden dan dat we de beerput eens lekker open gooien?

Waarom mag de rauwheid van het leven niet bestaan?

Het gaat ons soms niet goed. Dat mag.

We mogen als hulpverleners ons daar bewust van zijn.

Onze eigen shit is oké en andermans shit ook.


Fragment uit “Je bent natuurlijk ook…”